Mannenvereniging Schrift en Belijdenis

 

 

 

Lezen Romeinen 12 vers 1 tot 9

Zingen Psalm 23 de verzen 1 en 2

 

In wie, of  waarin, geloven de Jehova’s getuigen nu eigenlijk?

 

Veel van de informatie die U hierin verder aantreft heb ik van het INTERNET gehaald.

Een bron van informatie heb ik ook gevonden uit het boek “ De prijs voor een goed geweten “

 

Laat ik eerst eens beginnen met de naam. De ware naam van GOD wordt uitgedrukt door een tetragrammon (De vier letter grepen die bekend zijn van de naam van GOD) van de Hebreeuwse letters JHWH die wij kennen als de naam JAHWEH.

Vroeger werd ook de naam Jehova gebruikt, maar de zuivere spelling is verloren gegaan, doordat de Israëlieten zo bevreesd waren voor misbruik van Zijn naam, en om dit te voorkomen werd de naam niet gebruikt. Daardoor is de juiste uitspraak verloren gegaan. Zoals U waarschijnlijk weet kent het Hebreeuws geen klinkers. Het is dus niet bekent hoe de naam uitgesproken moet worden. Maar getuigt het niet van hoogmoed om zo de naam van GOD te gebruiken? (Handelingen 1 : 8 Gij zult mijn getuigen zijn.)

Lees hierover dan maar eens Exodus 20 : 7.

 

De geschiedenis van Jehova’s Getuigen begon toen de eerste uitgave van het tijdschrift Zion's Watch Tower op 1 juli 1879 tot stand kwam. De corporatie, de Watch Tower Bible and Tract Society, werd in 1881 opgericht en kreeg in 1884 rechtspersoonlijkheid. Het is echter een feit dat zelfs onder Jehova’s Getuigen maar weinigen een duidelijk beeld hebben hoe de organisatie aan de top functioneert. Een groot aantal zaken die bij veel religieuze organisaties algemeen bekend zijn, zijn dus bij de meerderheid van de Jehova’s Getuigen slechts vaag of helemaal niet bekend. Toch worden de beslissingen van de kleine groep mannen die het Besturende Lichaam vormen, geacht over de gehele wereld toegepast te worden. Deze beslissingen beïnvloeden op dikwijls zeer indringende wijze het leven van de Getuigen. Om duidelijk te maken wat het Besturende Lichaam is: Jehova’s Getuigen geloven dat Christus Jezus zijn gemeente voedt en bestuurt door middel van een "getrouwe en beleidvolle slaaf"-klasse. Deze klasse is samengesteld uit een "overblijfsel" van de 144.000 personen die gezalfd zijn als erfgenamen van zijn hemelse koninkrijk.

De 144.000 worden aangehaald in het boek Openbaringen. 7 : 4.

 

In het begin toen stonden de Getuigen nog als Bijbelonderzoekers bekend,  en stonden zij met tijdschriften op de hoeken van straten, deelde strooibiljetten uit en droeg borden met daarop: "Religie is een valstrik, de bijbel vertelt waarom. Dient God en Christus de Koning."

Een van de belangrijkste leerstellingen van Jehova’s Getuigen is dat de bijbelse profetieën naar 1914 vooruitwezen als het jaar waarin de "tijden der heidenen" uit Lukas hoofdstuk eenentwintig, vers 24, zouden eindigen. In dat jaar zou Christus Jezus zijn koninkrijksmacht opnemen en onzichtbaar voor menselijke ogen gaan regeren. In Daniel hoofdstuk vier wordt gesproken over een periode van "zeven tijden". De berekening die tot 1914 leidt, is hierop gebaseerd. Met behulp van andere teksten worden deze "zeven tijden" omgezet naar een periode van 2520 jaar die in 607 v.G.T. begon en in 1914 eindigde. Van het beginpunt, 607 v.G.T., werd aangenomen dat het samenviel met de vernietiging van Jeruzalem door de Babylonische veroveraar Nebuchadnezar.

 [Uit het boek: De waarheid zal u vrijmaken. Een uitgave van het Wachttoren genootschap]

 

Hier laat ik Raymond Franz aan het woord, die in de organisatie lange tijd de tweede man was.

Voormalig lid van het Besturend Lichaam van Jehova’s Getuigen.

(Raymond Franz is de auteur van het boek: “De prijs voor een goed geweten”

Hij maakt geen deel meer uit van de Jehova getuigen).

 

Uit zijn boek het volgende citaat:

“ Ik wist dat het jaartal 607 v.G.T. (De woorden G.T. betekenen Voor Christus dus Gewone Tijdrekening) specifiek was voor onze publicaties, maar ik wist niet precies waarom. Alle geschiedschrijvers gaven een tijdstip aan dat twintig jaar later ligt. Voordat ik aan het onderwerp "Archeologie" ging werken, had ik mij niet gerealiseerd dat het aantal kleitabletten, gevonden in het gebied van Mesopotamie en stammend uit de tijd van het oude Babylon, in de tienduizenden liep. Geen van deze tabletten gaf aan dat het Neo-Babylonische rijk (de periode waarbinnen Nebuchadnezar heerschappij viel) zich zover terug in de tijd uitstrekte dat ons jaartal 607 v.G.T. voor de vernietiging van Jeruzalem ermee in overeenstemming was. Alles wees erop dat die periode twintig jaar korter was dan in de door ons gepubliceerde chronologie werd aangenomen. Hoewel ik dit verontrustend vond, wilde ik gewoon tegen alle bewijzen in geloven dat onze chronologie juist was. Daarom werd bij het schrijven van dat gedeelte van het Hulpboek veel tijd en ruimte besteed om de geloofwaardigheid af te zwakken van de archeologische en historische bewijzen die aantoonden dat ons jaartal 607 v.G.T. onjuist was.

Met een ander beginpunt zouden onze berekeningen immers niet op 1914 uitkomen.”

Een jaar daarvoor was er een boek uitgegeven waarvan (de oom van Raymond Franz) Fred Franz auteur was en waarin werd uiteengezet dat het jaar 1975 het einde zou markeren van 6000 jaar menselijke geschiedenis. Hij had daarin deze 6000 jaar gelijkgesteld aan zes dagen van ieder duizend jaar:

"Binnen niet al te veel jaren binnen ons eigen geslacht bereiken wij dus wat Jehova God als de zevende dag van 's mensen bestaan zou kunnen beschouwen.

"Hoe passend zou het zijn indien Jehova God deze komende zevende periode van duizend jaar tot een sabbatperiode van rust en verlossing zou maken, een grote jubeljaarsabbat voor het uitroepen van een vrijlating op de gehele aarde voor al haar bewoners! Dit zou voor de mensheid prachtig op tijd komen. Het zou ook vanuit Gods standpunt zeer passend zijn, want, houd in gedachten, de mensheid heeft nog voor de boeg wat in het laatste boek van de bijbel de duizend jaar durende regering van Jezus Christus over de aarde, het millennium, wordt genoemd. Profetisch zei Jezus Christus, toen hij negentien eeuwen geleden op aarde was, over zichzelf: 'Want de Zoon des mensen is Heer van de sabbat' (Mattheus 12:8). Het zou niet louter een kwestie van toeval zijn maar het zou in overeenstemming zijn met het liefdevolle voornemen van Jehova God indien de regering van Jezus Christus, de 'Heer van de sabbat', parallel zou lopen met het zevende millennium van 's mensen bestaan."

Tientallen jaren lang was er onder Jehova’s Getuigen niet zo'n gevoel van opwinding ontstaan als door deze uitspraken werd opgewekt. Er ontwikkelde zich een geweldige golf van verwachting, die ver uitsteeg boven het gevoel van het naderende einde.

Zij geloofden stellig dat in 1975 Armageddon zou komen! (Armageddon betekend eindstrijd) God zou ingrijpen in de menselijke geschiedenis. Alleen de getuigen van Jehova zouden worden gered! Velen verkochten hun bezittingen, omdat het 1000 jarig rijk zou komen. Velen vermaakten hun geld over naar het genootschap en besteden al hun tijd in de prediking van deur tot deur om hun “naaste nog te bekeren”. Noodzakelijke aanschaffen werden niet meer gedaan, in het vertrouwen dat het Koninkrijk zou komen.

In Onze Koninkrijksdienst van mei 1974 werd, nadat verwezen was naar de "korte overgebleven tijd", gezegd:

"Er worden berichten gehoord dat broeders hun huizen en bezittingen verkopen en van plan zijn de rest van hun dagen in dit oude samenstel in de pioniersdienst door te brengen. Dit is stellig een voortreffelijke manier om de korte tijd die er tot aan het einde van de goddeloze wereld nog rest, door te brengen."

Als je echter met de getuigen in discussie gaat over deze zaken, stellen zij dat er een nieuw licht is verschenen over het naderende Koninkrijk. Als je dan vraagt of het “oude” licht dan verkeert was, krijg je de vraag of je soms een hekel aan de getuigen van Jehova hebt. Gegeven blijft dat de basis van hun geloof wel erg wankel is geworden nu 1914 NIET  het jaar blijkt te zijn dat Christus is gaan regeren.

"Het is niet aan u de tijden of jaartallen te weten die de Vader op zijn eigen gezag heeft vastgesteld."


-
Handelingen 1:7,

Tot zover de informatie over 1914.

Wat ook opvalt bij het geloof van deze getuigen, is de kwestie met het bloed. Zij mogen onder geen voorwaarde bloed of een bloedtransfusie krijgen, ook al zou dat hun het leven kosten. Ook het afstaan van organen is lange tijd onbespreekbaar geweest. Hier zou ik graag het blad de Wachttoren willen aanhalen van 1 februari 1968 blz. 94-96.

Ik citeer:

Zij die zich aan een dergelijke operatie onderwerpen, voeden zich aldus met het vlees van een ander mens. Dat staat gelijk met kannibalisme. Toen Jehova God de mens toestond dierlijk vlees te eten, gaf hij geen toestemming het bloed tot zich te nemen waarvan de mensen zouden kunnen proberen hun leven te verlengen door als kannibalen menselijk vlees in hun lichaam op te nemen, of dit nu werd gekauwd of in de vorm van hele organen of lichaamsdelen van anderen in het eigen lichaam werd opgenomen.

De Wachttoren van 15 juni 1980 blz. 31-32

Ik citeer:

Met betrekking tot transplantatie dient elke getuige van Jehova persoonlijk een gewetens volle beslissing te nemen (…) Hoewel de bijbel het gebruik van bloed specifiek verbied, bestaat er geen bijbels gebod  waarin het gebruik van menselijk weefsel uitdrukkelijk verboden wordt (…) Het is een kwestie waarin men persoonlijk een beslissing moet nemen (Galaten 6 : 5 ). Het rechtelijk comité van de gemeente zal geen disciplinaire stappen ondernemen indien iemand een transplantatie zou aanvaarden.

Wat een tegenspraak in publicaties welke genomen zijn door erfgenamen van de gezalfde klasse, die door Christus gevoed wordt. (zoals zij het zelf stellen)

Opmerkelijk vind ik dan ook een publicatie in de ontwaakt van 8 oktober 1970, blz. 8-9                     

 (een zusterblad van de wachttoren) over het Rooms Katholieke geloof:

Eeuwen lang hebben de katholieken op vrijdag geen vlees gegeten.Dit was een kerkelijk voorschrift.Velen geloofden oprecht dat het een wet van de Almachtige God was, maar thans is dit veranderd. De uitwerking op veel vrome katholieken is verschrikkelijk geweest. Al die jaren dacht ik dat het een zonde was vlees te eten klaagden vele gelovigen, en nu hoor ik plotseling dat het geen zonde is. Dat is haast niet te begrijpen. Als het 5 jaar geleden wel een zonde was, waarom dan nu niet meer? Veel katholieken kunnen dit niet begrijpen.

Getuigen van Jehova, geef MIJ dan eens een uitleg over transplantatie? Hoe velen zijn er niet gestorven doordat het Genootschap eerst leerde dat het kannibalisme zou zijn! Of zij nog wel een rustig geweten kunnen hebben, is dan ook voor mij de vraag.

Teneinde misverstanden te voorkomen, proberen Jehova’s getuigen nauwkeurig te zijn als zij zich uiten. In plaats van te zeggen “Het genootschap leert”  geven veel getuigen er de voorkeur aan om uitdrukkingen te gebruiken als “ik begrijp dat de bijbel leert” of “de bijbel zegt”. Op deze wijze beklemtonen zij de persoonlijke beslissing die iedere getuige heeft genomen om de bijbelse leringen te aanvaarden en vermijden zij ook de verkeerde indruk te wekken dat getuigen hoe dan ook gebonden zijn aan de voorschriften van een of andere religieuze sekte. (De Wachttoren, 15 maart 1998, blz. 19)

Getuigen vieren geen verjaardagen omdat de enige verjaardag die de Bijbel vermeld, het hoofd van Johannes de doper op een zilveren dienblad als cadeau aan de zuster van de keizer was gegeven.Dus heeft het genootschap in haar onfeilbare wijsheid besloten dat God nooit een verjaardag zou goedkeuren.

Getuigen van Jehova stemmen niet op een partij als er verkiezingen zijn.  De redenering is erg simpel: Christus zelf zei dat Zijn rijk niet van deze wereld  was. Als de enige ware navolgers van Christus nemen zij dus geen deel aan de verkiezingen. Graag zou ik daarom de verzen uit Romeinen 13  de verzen 1 en 2 lezen.

Zij gaan niet in militaire dienst omdat zij het gebod “Gij zult niet doden” belangrijker vinden dan de overheid te dienen die over hen is gesteld. In plaats daarvan gingen velen de gevangenis in. Van de vervangende dienstplicht werd geen gebruik gemaakt, totdat er in de Wachttoren van 1 mei 1996 werd afgekondigd dat het aanvaarden van vervangende dienstplicht een zaak van het geweten is. Dat duizenden jonge mannen vele jaren in de gevangenissen hebben gezeten is ondergeschikt aan het nieuwe licht dat hierover is verschenen. In plaats van zich te verontschuldigen, lijkt de organisatie veeleer de mening te zijn toegedaan dat zij een applaus verdient voor het aanbrengen van deze verandering.

De drie-eenheid bestrijden zij door God, Jehova, als enige God te stellen. Jezus Christus als zoon en de Heilige Geest als de uitvoerende macht van God. Deze drie zijn gescheiden van elkaar en de Zoon is dan ook niet gelijk aan de Vader. Evenmin is de uitvoerende macht van God, de Heilige Geest gelijk aan God, maar ondergeschikt aan God. Deze gedachten gang is vaker in de geschiedenis voorgekomen, maar telkens weer op bijbelse gronden weerlegd.

Zelfs van dwaling, tenminste als het gaat om een dwaling van het Wachttorengenootschap, wordt gezegd dat er een nuttige werking van uitgaat. In dezelfde Wachttoren wordt namelijk gesproken over het feit dat de organisatie in het verleden een verkeerde zienswijze heeft gehad met betrekking tot de "hogere machten" of de "superieure autoriteiten" van Romeinen 13. Tegen alle bewijzen in dat daarmee de menselijke regeringsautoriteiten worden bedoeld, had zij erop gestaan dat met de "hogere machten" uitsluitend God en Christus worden bedoeld. Deze uitleg was in de plaats gekomen van de eerdere en correcte zienswijze en werd onderwezen van 1929 tot 1962.

In De Wachttoren van 1 mei 1996 wordt op bladzijde 14 over de verkeerde zienswijze gezegd:

"Terugkijkend moet er worden gezegd dat deze zienswijze, die de oppermacht van Jehova en zijn Christus verhoogde, Gods volk gedurende deze moeilijke periode heeft geholpen om zonder te schipperen aan een neutraal standpunt vast te houden.

Het belangrijkste sacramenten is de doop, of het nu de onderdompeling is of het doopfont, het is het belangrijkste sacrament.

Aangaande de doop bij de getuigen van Jehova, zij erkennen alleen de onderdompeling en de volwassenen doop. De twee vragen die in 1942 aan de kandidaten werden gesteld waren deze:

(1) Gelooft u in Jehova God de Vader, dat 'redding Jehova toebehoort' en dat Christus Jezus zijn Zoon is in wiens bloed uw zonden worden afgewassen en door bemiddeling van wie u redding van God verkrijgt?

(2) Hebt u daarom uw zonden aan God beleden en gevraagd door bemiddeling van Christus Jezus gereinigd te mogen worden, en hebt u u daarom van de zonde en de wereld afgekeerd en u zonder voorbehoud aan God gewijd ten einde zijn wil te doen?

Zonder ook maar enig bijbels argument te noemen voor het aanbrengen van een belangrijke verandering in deze fundamentele vragen, die met ja moeten worden beantwoord om in aanmerking te komen voor de doop, werden nu in de Wachttoren van 1 juni, 1985, blz. 30 deze vragen opgesomd, die vanaf dat moment golden als de vragen waarop alle kandidaten moeten antwoorden:

Heb je op grond van het slachtoffer van Jezus Christus berouw van je zonden en heb je je aan
Jehova  opgedragen om zijn wil te doen?

De tweede luidt:

Begrijp je dat je opdracht en doop je identificeren als een van Jehova’s Getuigen, verbonden met Gods door de geest geleide organisatie?

Wanneer de kandidaten deze vragen met ja hebben beantwoord, verkeren zij in de juiste harte-toestand om de christelijke doop te ondergaan.  Sommigen die zich hebben teruggetrokken en niet wilden dat de ouderlingen hen ondervroegen en over hen "recht spraken", hebben erop gewezen dat zij zich ten tijde van hun doop in de periode van vóór 1985, hebben opgedragen 'aan God en niet aan een organisatie'.

Met de huidige, gewijzigde vragen wordt de doopkandidaat ronduit gezegd dat zijn "opdracht en doop" hem 'identificeren als een van Jehova’s Getuigen, verbonden met Gods door de geest geleide organisatie.' Daarmee heeft hij inderdaad elk "wettelijk" recht verspeeld om nog te kunnen zeggen dat hij niet aan het bestuur en de kerkelijke rechtscolleges van de organisatie onderworpen is. Voor de wettelijke afdeling van de organisatie is dit inderdaad een "vereenvoudiging" van de zaak. Dat de organisatie de heilige en zeer persoonlijke stap van de doop aangrijpt als gelegenheid om haar gezag te laten gelden in het leven van de dopeling, vind ik een droevig bewijs van het streven naar macht.

Een eerlijke voorlichting op grond van hun eigen publicaties leek mij zuiver. Waar dat mogelijk was heb ik dan ook vermelding van de bron gegeven.

 

Jan Feith

Februari 2000

Verder voor zover niet genoemd de dwalingen:

1.     dat Jezus Christus een geschapen wezen is, ongelijk aan God en dat Hij op grond van zijn werken TOCH aan GOD onder geschikt is.

2.     dat Jezus Christus niet lichamelijk is opgestaan en zijn verschijning aan de discipelen niets anders is dan materialisatie;

3.     dat de ziel van de mens sterfelijk is, dat de mens geen ziel heeft, maar een ziel is;

4.     dat er geen eeuwige straf bestaat, maar dat zij die in ongeloof volharden, vernietigd worden.

 

Uit het boekje: Jehova’s getuige mag ik ook wat zeggen? Van J.G.Fijnvandraadt

Dit boekje is uitstekend passend in de discussie.